&Gommer Pensions Group
Bancair en verzekerd sparen
 
Loonstamrechtvrijstelling mist toepassing op schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag
Op 8 maart 2019 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen in een zaak waarin al eerder recht werd gesproken door een rechtbank en een gerechtshof. De A-G nam in deze zaak ook al een conclusie, en wel op 29 november 2018. In deze zaak was aan de orde of de per 1 januari 2014 afgeschafte loonstamrechtvrijstelling van toepassing is op een wegens kennelijk onredelijk ontslag toegekende (aanvullende) schadevergoeding.
 
Commentaar
In de procedure ging het om een belanghebbende die in 2013 medio 1997 een ontslagvergoeding heeft ontvangen. Die ontslagvergoeding werd, onder gebruikmaking van de loonstamrechtvrijstelling die tot 1 januari 2014 was opgenomen in artikel 11, lid 1, onderdeel g Wet LB 1964, gestort in zijn stamrecht-BV. Vervolgens werd in een procedure wegens kennelijk onredelijk ontslag bij vonnis van 21 augustus 2014 aan de belanghebbende een aanvullende ontslagvergoeding toegekend. Deze werd op 13 oktober 2014, onder inhouding van loonheffing, aan hem uitbetaald. Belanghebbende was het daar niet mee eens en ging in bezwaar. De inspecteur handhaafde de inhouding en wees het bezwaar af. Tegen de uitspraak op het bezwaar is belanghebbende in beroep gekomen bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant.
 
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (BRE 15/1165)
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelde dat voor de aanvullende ontslaguitkering geen genietingsmoment in 2013 aan te wijzen. Dat belanghebbende recht had op een aanvullende ontslagvergoeding en tot welk bedrag, is immers pas in 2014 bij rechterlijke uitspraak komen vast te staan. De rechtbank oordeelde voorts dat op deze vergoeding de loonstamrechtvrijstelling niet kan worden toegepast. De loonstamrechtvrijstelling is immers per 1 januari 2014 vervallen en de aanvullende vergoeding is pas daarna toegekend en genoten. De overgangsregeling (art. 39f Wet LB 1964) is evenmin van toepassing, nu er op 31 december 2013 geen sprake was van een bestaande aanspraak op een periodieke uitkering in verband met de aanvullende ontslagvergoeding. De aard en de omvang voor de vrijgestelde stamrechtaanspraak was op 31 december 2013 niet voldoende bepaald of bepaalbaar. Het beroep is op 20 mei 2016 ongegrond verklaard. Tegen die uitspraak ging belanghebbende in hoger beroep.
 
Gerechtshof Den Bosch (BK 16/03482)
In zijn uitspraak van 14 september 2017 oordeelde het Gerechtshof Den Bosch dat uit de betreffende wettekst volgt dat de loonstamrechtvrijstelling alleen in geval de schadevergoeding is genoten vóór het vervallen van de stamrechtvrijstelling op 1 januari 2014, zelfstandig op de schadevergoeding van toepassing kan zijn. Het hof oordeelde verder dat de schadevergoeding niet op een eerder moment rentedragend in de zin van artikel 13a Wet LB 1964 is geworden, als de rente pas tegelijk met de vordering komt vast te staan en ook pas dan vorderbaar en inbaar wordt. Naar het oordeel van het hof is ook overigens geen genietingsmoment in 2013 aan te wijzen. Dit betekent volgens het hof dat bedoelde loonstamrechtvrijstelling slechts van toepassing kan zijn op grond van de overgangsregeling van artikel 39f Wet LB 1964. Aangezien belanghebbende op
31 december 2013 nog geen aanspraak had op het bedrag van de schadevergoeding, is niet voldaan aan de voorwaarde van artikel 39f, lid 1, Wet LB 1964 dat sprake moet zijn van een op 31 december 2013 bestaande en bepaalbare aanspraak. Het hof heeft het hoger beroep ongegrond verklaard.
 
Conclusie A-G (17/05027)
Op 29 november 2018 heeft de A-G van de Hoge Raad conclusie (17/05027) genomen in de zaak. A-G Niessen meent in zijn conclusie onder meer dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de schadevergoeding niet rentedragend in de zin van artikel 13a Wet LB 1964 is geworden op het moment dat de wettelijke rente verschuldigd is geworden. Met het hof is de A-G ook van oordeel dat de overgangsregeling van artikel 39f Wet LB 1964 niet van toepassing is op de door belanghebbende ontvangen schadevergoeding omdat de aanspraak op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon op 31 december 2013 niet voldoende bepaald of bepaalbaar was. De conclusie van de A-G strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard. De conclusie is op 18 januari 2019 gepubliceerd.
 
Arrest Hoge Raad (17/05027)
In navolging van de conclusie van A-G Niessen is de Hoge Raad van mening dat terecht is geoordeeld dat ten aanzien van de schadevergoeding geen genietingsmoment in 2013 valt aan te wijzen. Ook is de Hoge Raad met de A-G van mening dat de overgangsregeling van artikel 39f Wet LB 1964 voor belanghebbende toepassing mist op de door hem ontvangen schadevergoeding. Op 31 december 2013 was de aanspraak op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon in de zin van artikel 11, lid 1, onderdeel g, Wet LB 1964 immers niet voldoende bepaald of bepaalbaar. De Hoge Raad heeft arrest gewezen op 8 maart 2019 en het beroep in cassatie daarbij ongegrond verklaard.

Vragen?
Heeft u na het lezen van dit artkel vragen?
neem dan contact op met
 JANVANHARTEN@GOMMERPENSIONS.NL

 
 
Conclusie
Met ingang van 1 januari 2014 is de loonstamrechtvrijstelling voor ontslagvergoedingen in de loonbelasting afgeschaft. Dat betekent dat over ontslagvergoedingen voortaan direct moet worden afgerekend in box 1. De optie van het bedingen van een recht op een periodieke uitkeringen onder gebruikmaking van de loonstamrechtvrijstelling van de Wet LB 1964 bij een stamrecht-BV, een verzekeraar, bank of beleggingsinstelling is met ingang van genoemde datum voor nieuwe ontslagsituaties komen te vervallen. Op basis van het per 1 januari 2014 ingevoerde overgangsrecht blijven voor op 31 december 2013 bestaande loonstamrechten de regels gelden zoals deze op 31 december 2013 luidden. Bestaande loonstamrechten kunnen derhalve worden uitgevoerd overeenkomstig de op die datum geldende wet- en regelgeving. Bovendien blijft daarbij de inhoud van het op 31 december 2013 geldende fiscale beleid relevantie houden en kunnen oude gepubliceerde vragen en antwoorden nog van belang zijn.
Erik van Toledo
 
 
&Gommer Pensions Group
Saal van Zwanenbergweg 25
5026 RM Tilburg
 
T: 013 - 207 00 52
E: info@gommerpensions.nl
 
Aanmelden »
Direct reageren »