&Gommer Pensions Group
Bancair en verzekerd sparen
 
Handreiking voor interpretatie begrip RVU
Op 28 december 2018 publiceerde de Belastingdienst een handreiking waarin uiteen wordt gezet hoe de Belastingdienst vanaf die datum te werk gaat bij de beoordeling of een vertrekregeling als dan niet is aan te merken als een Regeling voor Vervroegde Uittreding (RVU) in de zin van de Wet LB 1964. Aanleiding voor de handreiking vormde een arrest van de Hoge Raad van medio 2018.
 
Commentaar
De zaak die eerder voor de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (AWB 14/3182) en Gerechtshof Den Bosch (15/00586) diende, leidde uiteindelijk tot cassatie. In de procedure ging het om een reorganiserende werkgever die voor haar werknemers een sociaal plan (vertrekregeling) was overeengekomen. Boventallige werknemers zijn in die vertrekregeling aangewezen volgens het afspiegelingsbeginsel bij onderling uitwisselbare functies. De vertrekregeling bevat ook een ‘vrijwilligers en plaatsmakersregeling’. Boventallige werknemers en werknemers die vrijwillig gebruikmaken van de regeling ontvangen een beëindigingsvergoeding op basis van de kantonrechtersformule. Bij de berekening van de vergoeding wordt rekening gehouden met de uitkeringsrechten waarop een werknemer aanspraak kan maken.
 
Zowel de rechtbank als het hof vonden dat in casu geen sprake is van een RVU. De Hoge Raad heeft hetzelfde oordeel, maar voert hierbij net iets andere gronden aan dan die andere instanties. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 22 juni 2018, kenmerk 16/06236, geoordeeld dat het bij de beoordeling of een regeling een RVU in de zin van artikel 32ba Wet LB 1964 is, gaat om de objectieve voorwaarden en kenmerken van de vertrekregeling. In het arrest heeft de Hoge Raad een kader geschetst aan de hand waarvan de RVU-toets voor elke soort vertrekregeling kan worden uitgevoerd.
 
Handreiking CAP
Het arrest vormde voor het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen van de Belastingdienst (CAP) aanleiding om met een handreiking te komen. Deze werd op 28 december 2018 gepubliceerd op www.belastingdienstpensioensite.nl (Rubriek ‘V&A-Handreikingen pensioen LB’). In de handreiking worden de gevolgen van het arrest voor de praktijk besproken. Daarnaast bevat de handreiking een toelichting op het door de Hoge Raad geschetste kader aan de hand waarvan de RVU-toets kan worden uitgevoerd.
 
De Hoge Raad oordeelde dat een vertrekregeling in het kader van een RVU-toets moet worden beoordeeld aan de hand van de objectieve voorwaarden en kenmerken van die regeling. Het in dat verband geschetste kader ziet er als volgt uit:
  • Ten eerste moet worden getoetst aan de objectieve voorwaarden van een vertrekregeling. Dit kan op collectief dan wel individueel niveau;
  • Als op basis van de objectieve voorwaarden sprake kan zijn van een RVU, dan vindt in de tweede plaats, op individueel niveau, nog een toets plaats op basis van de objectieve kenmerken van de vertrekregeling. De Hoge Raad heeft daarbij aangegeven dat bij de RVU-toets de beweegredenen van de werkgever, noch de intenties en keuzes van de werknemer(s) relevant zijn. De Raad heeft vervolgens aangegeven dat de RVU-toets vooraf plaats moet vinden. Dit is in overeenstemming met de in de Wet LB 1964 opgenomen mogelijkheid om vooraf te doen beslissen of een vertrekregeling een RVU vormt (art. 32ba, lid 7). Ter verkrijging van zekerheid vooraf kan namelijk alleen maar worden aangeknoopt bij de objectieve kenmerken en voorwaarden van een vertrekregeling en niet bij het achteraf blijkende feitelijke gebruik ervan. De feitelijke uitwerking van de vertrekregeling doet dus volgens de Hoge Raad niet ter zake bij de RVU-toets. Een RVU-toets moet rechtstreeks aan de hand van artikel 32ba, lid 6 Wet LB 1964 plaatsvinden. In paragraaf 4 van de handreiking is uiteen gezet hoe de Belastingdienst hier invulling aan geeft. Daarbij zijn de twee stappen van de Hoge Raad uitgewerkt.

    Toets objectieve voorwaarden 
    Het kan in bepaalde gevallen op basis van de objectieve voorwaarden van een vertrekregeling vast komen te staan, dat die regeling ten doel kan hebben een inkomensoverbrugging te geven tot het ingaan van een pensioen- of AOW-uitkering, dan wel ten doel heeft een pensioenuitkering aan te vullen. In dergelijke gevallen kan vervolgens gekeken worden naar de objectieve kenmerken van de vertrekregeling. Per werknemer kan dan aan de hand van de objectieve kenmerken van die regeling getoetst worden of er ook daadwerkelijk sprake is van een overbrugging of aanvulling, als bedoeld in artikel 32ba, lid 6 Wet LB 1964. Hiervoor hanteert de Belastingdienst een 70%-toets. In paragraaf 4.3 van de handreiking is deze tweede toets uitgewerkt.

    Toets objectieve kenmerken
    Allereerst vindt een RVU-toets plaats op de objectieve voorwaarden van de vertrekregeling. Hierbij wordt getoetst of de vertrekregeling, uitgaande van deze voorwaarden, ten doel heeft oudere werknemers vervroegd te laten stoppen met werken, door middel van een overbrugging van de periode tot het ingaan van het pensioen of de AOW-uitkeringen, dan wel te voorzien in een aanvulling op pensioenuitkeringen. Deze toets is nader uitgewerkt in paragraaf 4.2 van de handreiking.
 
 
Conclusie
Met het arrest en de handreiking is duidelijk geworden dat een vertrekregeling in het kader van een RVU-toets moet worden beoordeeld aan de hand van de objectieve voorwaarden en kenmerken van die regeling. Subjectieve elementen zijn niet relevant. De handreiking van het CAP neemt de praktijk aan de hand bij het doorlopen van het RVU-toetskader. Het is aan te bevelen om bij het opstellen van een vertrekregeling rekening te houden met het beoordelingskader dat in de handreiking van de Belastingdienst is uitgewerkt. Dat kan discussies met de inspecteur voorkomen. 
Erik van Toledo
 
 
&Gommer Pensions Group
Saal van Zwanenbergweg 25
5026 RM Tilburg
 
T: 013 - 207 00 52
E: info@gommerpensions.nl
 
Aanmelden »
Direct reageren »