&Gommer Pensions Group
Bancair en verzekerd sparen
 
Overschrijding wettelijke termijn bij lijfrenten. Wat is nu écht bijzonder?
Recent heeft het Gerechtshof Den Haag uitspraak gedaan in een zaak waarbij sprake was van overschrijding van de wettelijke termijn die geldt bij de uitvoering van lijfrenten. In geschil was of de waarde van een lijfrenteverzekering in dat verband terecht tot het belastbare inkomen uit werk en woning in box 1 is gerekend. Ook was de in rekening gebrachte revisierente in geschil. Volgens het hof waren er geen bijzondere omstandigheden. Wat is nu wel bijzonder?
 
Commentaar
In de procedure ging het om een persoon die medio 1997 een lijfrenteverzekering heeft afgesloten. De contractuele einddatum van die verzekering was 1 juli 2013. In zijn brief van 12 april 2013 heeft de verzekeraar de belanghebbende geïnformeerd over het eindigen van de lijfrenteverzekering op 1 juli 2013. Ook deelde de verzekeraar hem mee welke mogelijkheden belanghebbende met de lijfrenteverzekering heeft. De man had op 31 december 2014 nog geen gebruik gemaakt van de geboden mogelijkheden. Daardoor is ingevolge artikel 3.133, lid 3 Wet IB 2001 de wettelijke (uitvoerings)termijn voor de lijfrente van de man overschreden. Op grond van die bepaling wordt de lijfrente-aanspraak op dat moment geacht te zijn afgekocht.
 
De belastinginspecteur heeft in verband met de fictieve afkoop van de lijfrente op 31 december 2014 voor belastingjaar 2014 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Ter zake van de fictieve afkoop van de lijfrente-aanspraak zijn bij de belanghebbende negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in box 1 in aanmerking genomen. Tevens is in de aanslag een bedrag aan revisierente begrepen. De man heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag. De inspecteur wees het bezwaar af. Tegen die uitspraak is de belanghebbende in beroep gekomen bij Rechtbank Den Haag.
 
Rechtbank Den Haag
Rechtbank Den Haag oordeelde dat belanghebbende onvoldoende feiten en/of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan geoordeeld had kúnnen worden dat er sprake was van bijzondere omstandigheden die een termijnverlenging hadden kunnen opleveren. De verzekeraar heeft belanghebbende door middel van twee brieven op de hoogte gebracht van de einddatum van de lijfrenteverzekering. Tot de gedingstukken behoorde een brief waaruit volgens de rechtbank is gebleken dat belanghebbende op de hoogte was van de expiratie van zijn lijfrenteverzekering. Hij had tot 31 december 2014 de mogelijkheid om de lijfrentetermijnen te laten vaststellen en te laten ingaan, dan wel de lijfrente om te zetten in een andere toegestane lijfrente. Van deze mogelijkheden heeft belanghebbende geen gebruik gemaakt. De rechtbank overwoog in deze zaak onder meer het volgende. Dat er door verdrietige omstandigheden onvoldoende aandacht is geweest om de verzekering tijdig om te zetten is weliswaar een omstandigheid die enige vertraging kan rechtvaardigen, maar niet zodanig bijzonder is dat de inspecteur de omzettingstermijn had moeten verlengen tot na 31 december 2014. Belanghebbende had vóór het einde van de termijn een en ander moeten afhandelen en had daarvoor feitelijk ook tijd genoeg. Dat hij dat niet heeft gedaan, omdat hem de afwikkeling verder is ontschoten, dient voor rekening en risico van hem te blijven. De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2018 (SGR 17/7313) ongegrond verklaard.
 
Gerechtshof Den Haag (BK 18/00577)
Belanghebbende was het niet eens met de uitspraak van de rechtbank en heeft hoger beroep ingesteld. Volgens hem is sprake geweest van bijzondere omstandigheden waardoor de vaststelling van de lijfrentetermijnen dan wel de omzetting van zijn aanspraak niet binnen de wettelijke termijn heeft kunnen plaatsvinden. Hij voerde de volgende omstandigheden aan:
  • De verzekeraar heeft hem niet vóór het einde van de wettelijke termijn geïnformeerd dat de wettelijke termijn zou verstrijken;
  • Hij heeft indertijd met een bank de afspraak gemaakt dat deze zou zorgdragen voor tijdige omzetting van de lijfrentepolis;
  • Hij heeft zijn schoonzus in deze periode bijgestaan in de strijd tegen kanker;
  • Bij hem zelf is in de zomer van 2015 halskanker geconstateerd.
Volgens het Hof heeft belanghebbende met de door hem aangevoerde omstandigheden niet aannemelijk gemaakt dat de overschrijding van de wettelijke termijn niet aan hem te wijten is. Belanghebbende lijfrente-aanspraak werd volgens het Hof dan ook terecht geacht te zijn afgekocht op 31 december 2014. Bij belanghebbende zijn terecht negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen in box 1. De bijbehorende revisierente van 20 procent is volgens het Hof eveneens terecht berekend. Het Hof heeft het hoger beroep op 16 januari 2019 (BK 18/0577) ongegrond verklaard.

Vragen?
Heeft u na het lezen van dit artkel vragen?
neem dan contact op met
 JANVANHARTEN@GOMMERPENSIONS.NL

 
 
Conclusie
Bij expiratie van lijfrentecontracten is het in de eerste plaats aan te raden de geboden wettelijke termijn goed in de gaten te houden. Het overschrijden van de wettelijke uitvoeringstermijn voor lijfrenten kan immers flinke financiële gevolgen hebben. Overschrijding van de wettelijke termijn kan het beste worden voorkomen. De wettelijke termijn is geen definitieve termijn. Artikel 3.133, lid 3 Wet IB 2001 biedt de mogelijkheid de wettelijke termijn door de inspecteur te laten verlengen. Een verzoek om de wettelijk geboden termijn te verlengen kan het beste tijdig, dus vóórdat de termijn is overschreden, worden ingediend. Daarmee kan een financieel ‘debacle’ en de nodige administratieve rompslomp worden voorkomen. In bepaalde situaties kan sprake zijn van een verschoonbare termijnoverschrijding. Aan een termijnoverschrijding zijn dan geen fiscale consequenties verbonden. In dat geval moet er sprake zijn van bijzondere omstandigheden. Deze moeten kenbaar worden gemaakt aan de inspecteur. Welke omstandigheden in vorenstaand kader in ieder geval als bijzonder zijn aan te merken zijn uitgewerkt in paragraaf 4.6 van het lijfrentebesluit van 13 juni 2012 (BLKB2012/283M). Een belastingplichtige die een beroep doet op een verschoonbare termijnoverschrijding moet bewijzen dat hem in verband met de overschrijding niets te verwijten valt.
Erik van Toledo
 
 
&Gommer Pensions Group
Saal van Zwanenbergweg 25
5026 RM Tilburg
 
T: 013 - 207 00 52
E: info@gommerpensions.nl
 
Aanmelden »
Direct reageren »